Wanneer we aan de Renaissance denken, denken we vrijwel automatisch aan Italië. En dan vooral aan Florence, waar Brunelleschi de indrukwekkende koepel van de duomo bouwde, waar Donatello de beeldhouwkunst vernieuwde en waar kunstenaars als Botticelli, Leonardo da Vinci en Michelangelo wereldberoemd werden. De stad wordt niet voor niets gezien als de bakermat van de Renaissance.
Maar de grote artistieke vernieuwingen van de vijftiende en zestiende eeuw vonden niet uitsluitend ten zuiden van de Alpen plaats. Ook in de Nederlanden, die destijds grotendeels onder het gezag van de Bourgondische hertogen en later de Habsburgers vielen, ontstond een kunstwereld die enorm vernieuwde. Sterker nog: de kunstenaars uit beide gebieden beïnvloedden elkaar veel meer dan we ons tegenwoordig realiseren.
Terwijl Italiaanse kunstenaars zich verdiepten in de klassieke oudheid, anatomie en het perspectief, ontwikkelden kunstenaars in Vlaanderen een ongekend verfijnde manier om de zichtbare werkelijkheid weer te geven. Dankzij internationale handelscontacten, rijke opdrachtgevers en reizende kunstenaars kwamen deze twee artistieke werelden met elkaar in aanraking.
Als je vandaag door Florence wandelt of de musea hier bezoekt, kun je de sporen van deze bijzondere uitwisseling nog altijd terugvinden. Ik neem je in dit blog mee op reis tussen deze twee werelden, die zoveel met elkaar gemeen hebben, maar tegelijk ook zo anders zijn.
Florence en de Nederlanden: twee werelden in ontwikkeling
Om de relatie tussen de Nederlandse en Italiaanse kunst te begrijpen, moeten we terug naar het einde van de veertiende eeuw. Italië bestond toen uit verschillende stadstaten, vorstendommen en republieken. Florence was uitgegroeid tot een belangrijk centrum van handel, bankwezen en textielproductie. Rijke families investeerden hun vermogen niet alleen in paleizen en kerken, maar ook in kunstwerken. Door deze kunst lieten ze aan de wereld zien hoe belangrijk ze waren, wie ze allemaal kenden en vooral, hoe rijk ze waren.
In de Nederlanden speelde zich een vergelijkbare ontwikkeling af. Vooral steden als Brugge, Gent, Brussel en later Antwerpen waren belangrijke economische centra. De lakenhandel en internationale handelsnetwerken brachten grote rijkdom met zich mee. Bovendien beschikte het Bourgondische hof over enorme financiële middelen, waarmee kunstenaars en ambachtslieden werden aangetrokken en aan het hof werden verbonden.
De omstandigheden vertoonden dus opvallende overeenkomsten. Zowel in Italië als in de Nederlanden ontstond een samenleving waarin een bovenlaag van rijke burgers, vorsten en religieuze instellingen bereid was grote bedragen te betalen voor kunst.
Toch ontwikkelde de kunst zich aanvankelijk in verschillende richtingen. In Florence richtten kunstenaars zich steeds nadrukkelijker op de menselijke figuur, de ruimtelijke verhoudingen en de kunst van de Grieken en Romeinen. De herontdekking van de klassieke oudheid vormde een belangrijke inspiratiebron.
In de Nederlanden lag de nadruk juist op de zichtbare werkelijkheid. Schilders probeerden materialen, licht, gezichten, landschappen en de kleinste details zo overtuigend mogelijk weer te geven.
Claus Sluter: Nederlandse beeldhouwer in Bourgondische dienst
Een van de vroegste kunstenaars die de overgang van de middeleeuwse naar een meer naturalistische beeldtaal zichtbaar maakt, is Claus Sluter. Sluter werd waarschijnlijk rond 1340–1350 geboren in de Noordelijke Nederlanden, mogelijk in Haarlem. Hij werkte later aan het Bourgondische hof in Dijon, waar hij uitgroeide tot een van de belangrijkste beeldhouwers van zijn tijd.
Zijn werk is bijzonder omdat het radicaal afwijkt van de elegante, vaak geïdealiseerde figuren die kenmerkend waren voor veel gotische beeldhouwkunst. Sluter gaf zijn figuren een indrukwekkende lichamelijke aanwezigheid. Zijn profeten, heiligen en andere personages hebben herkenbare gezichten, zware gewaden en individuele karaktertrekken. Ze lijken niet langer uitsluitend symbolische figuren, maar echte mensen van vlees en bloed.
Zijn beroemdste werk is de zogenaamde Puits de Moïse, de Mozesput, die hij rond 1395–1404 maakte voor het kartuizerklooster van Champmol bij Dijon. De zes oudtestamentische profeten die de basis van het monument vormen, zijn stuk voor stuk indrukwekkend. Hun gezichten tonen leeftijd, emotie en karakter, terwijl de diepe plooien van hun gewaden beweging creëren.
Wat heeft Sluter met de Italiaanse Renaissance te maken?
Op het eerste gezicht lijkt Dijon ver verwijderd van Florence. Toch vertegenwoordigt Sluter een ontwikkeling die ook in de Italiaanse kunst zichtbaar wordt: de toenemende belangstelling voor het individu, de menselijke anatomie en een geloofwaardige weergave van de werkelijkheid.
In Italië zien we deze belangstelling onder andere terug bij Donatello, die in de eerste helft van de vijftiende eeuw zijn beelden een ongekende psychologische diepgang gaf. Denk bijvoorbeeld aan zijn profeten voor de klokkentoren van de Florentijnse duomo, waaronder de beroemde Zuccone, die tegenwoordig in het Museo dell’Opera del Duomo wordt bewaard.


Beide kunstenaars doorbreken de traditionele idealisering en tonen mensen met uitgesproken karaktertrekken. De overeenkomst is fascinerend, al is er geen overtuigend bewijs dat Donatello rechtstreeks door Sluter werd beïnvloed. En juist dat maakt deze periode zo interessant: op verschillende plekken in Europa zochten kunstenaars naar nieuwe manieren om de mens en de werkelijkheid uit te beelden.
De Vlaamse Primitieven: meesters van licht, detail en werkelijkheid
De belangrijkste artistieke bijdrage van de Nederlanden aan de vijftiende-eeuwse Europese schilderkunst kwam van de kunstenaars die we tegenwoordig kennen als de ‘Vlaamse Primitieven’. Die benaming is overigens een beetje misleidend. Het woord ‘primitief’ verwijst hier niet naar een eenvoudige of onontwikkelde kunstvorm, maar naar de vroege fase van de Oudnederlandse schilderkunst. Tot deze groep rekenen we onder anderen Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Robert Campin, Hans Memling en Hugo van der Goes. Hun werk betekende een enorme vernieuwing.
Jan van Eyck en de revolutie van de olieverf
Een van de belangrijkste ontwikkelingen was de verfijning van de olieverftechniek. Hoewel de uitvinding vaak aan Jan van Eyck wordt toegeschreven, bestond olieverf al voordat hij zijn beroemdste schilderijen maakte. Wel perfectioneerde hij het gebruik van olieverf op een manier die de schilderkunst ingrijpend veranderde.
In Italië werd in de vroege vijftiende eeuw nog veel met tempera geschilderd: pigmenten vermengd met bijvoorbeeld eigeel. Deze verf droogde relatief snel en vroeg om een andere werkwijze dan olieverf. Schilders moesten vooral heel snel te werk gaan, omdat tempera snel droogde. Olieverf bood kunstenaars de mogelijkheid om met transparante verflagen, subtiele kleurovergangen en bijzonder verfijnde lichtreflecties te werken. Dat maakte het mogelijk om materialen bijna tastbaar weer te geven: het glanzen van een metalen kroon, de transparantie van glas, de zachtheid van bont of de reflectie van licht op een parel.

Jan van Eyck beheerste deze techniek als vrijwel geen ander. In zijn beroemde Arnolfini-portret uit 1434 zie je deze manier van schilderen terug tot in de kleinste details. De stoffen kun je bijna voelen, de subtiele glans op de kandelaar die duidelijk net gepoetst is, maar ook het hondje, de gezichten van de personages en de voorwerpen in de kamer. Het schilderij laat zien hoe een kunstenaar een complete wereld kon creëren met een betekenis voor elk element op het doek. Zo heeft Van Eyck zichzelf in de spiegel achter het koppel vastgelegd. Een piepklein zelfportret in een portret dus.
Symboliek verborgen in het dagelijks leven
Een ander bijzonder kenmerk van de Vlaamse Primitieven is de manier waarop religieuze symboliek wordt verwerkt in alledaagse voorwerpen. Een lelie kan verwijzen naar de zuiverheid van Maria, een kaars naar de goddelijke aanwezigheid en een gesloten tuin naar haar maagdelijkheid. Hierdoor kregen schilderijen verschillende betekenislagen. Een enigszins ontwikkelde middeleeuwer kon deze beeldtaal moeiteloos lezen. Een toeschouwer zag daardoor een overtuigend weergegeven interieur of landschap, maar ontdekte bij nadere beschouwing ook een religieuze boodschap. Die combinatie van naturalisme en symboliek maakte grote indruk op de vaak rijke, Italiaanse opdrachtgevers.
Tussen Brugge en Florence: de handels- en kunstroutes
De uitwisseling tussen de Nederlanden en Italië kwam niet toevallig tot stand. Florence was in de vijftiende eeuw een van de belangrijkste financiële centra van Europa. Florentijnse bankiers en kooplieden hadden vestigingen in verschillende buitenlandse handelssteden, waaronder Brugge. Ook de familie De’ Medici, die in Florence een steeds grotere politieke en economische rol speelde, beschikte over een bankfiliaal in Brugge.
Via deze handelsnetwerken werden niet alleen wol, zijde en luxegoederen verhandeld, maar ook schilderijen, wandtapijten en andere kunstvoorwerpen. Een Vlaamse schilder hoefde dus niet zelf naar Florence te reizen om zijn werk onder de aandacht van Italiaanse verzamelaars te brengen. Een koopman of bankier kon een schilderij bestellen, kopen en naar Italië laten vervoeren.
Andersom kwamen Italiaanse kooplieden die in de Nederlanden verbleven rechtstreeks in contact met de nieuwste ontwikkelingen in de Vlaamse schilderkunst. Een bijzonder voorbeeld daarvan is het Arnolfini-portret van Jan van Eyck. Giovanni Arnolfini was afkomstig uit Lucca en maakte carrière als koopman in Brugge.
Zijn aanwezigheid in Vlaanderen laat zien hoe sterk de economische en persoonlijke banden tussen beide gebieden waren. Het schilderij is daarmee niet alleen een meesterwerk van de Vlaamse schilderkunst, maar ook een tastbare herinnering aan de internationale handelswereld van de Renaissance.
Het Portinari-altaarstuk in Florence: de invloed van Hugo van der Goes
Misschien wel het mooiste voorbeeld van de artistieke uitwisseling tussen Vlaanderen en Florence is het beroemde Portinari-altaarstuk van Hugo van der Goes. Dit monumentale drieluik bevindt zich tegenwoordig in de Galleria degli Uffizi, hier in Florence, en behoort wat mij betreft tot de interessantste schilderijen om te bekijken wanneer je de ontwikkeling van de Renaissance en de relatie met de Vlaamse schilderkunst uit die periode wilt begrijpen.
Het werk werd in de jaren 1470 geschilderd in opdracht van Tommaso Portinari, een Florentijnse bankier die in Brugge werkzaam was als vertegenwoordiger van de Medici-bank en die het schopte tot raadgever van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Portinari wilde het altaarstuk schenken aan de kerk van Sant’Egidio, die verbonden was aan het Ospedale di Santa Maria Nuova in Florence. Zijn familie stichtte dit ziekenhuis in de 13e eeuw.
Het drieluik werd in Vlaanderen vervaardigd en vervolgens naar Italië vervoerd. Na een lange reis bereikte het op 28 mei 1483 Florence. De aankomst van het schilderij ging in Florence zeker niet ongemerkt voorbij en liet op velen een onuitwisbare indruk achter.

Waarom maakte het zoveel indruk?
Het centrale paneel toont de aanbidding van het pasgeboren Christuskind. Maria knielt voor haar zoon, omringd door engelen, terwijl enkele herders zich verwonderd over het kind buigen. Op het eerste gezicht is het een traditioneel religieus onderwerp, zoals dat in de vijftiende eeuw talloze malen werd afgebeeld.
De uitvoering was voor de Florentijnse kunstenaars echter heel vernieuwend. Van der Goes schilderde zijn figuren met een ongekende aandacht voor hun individuele kenmerken. Vooral de herders vallen op. Hun gezichten zijn verweerd, hun handen grof en hun uitdrukkingen bijna overdreven menselijk. Dit zijn geen geïdealiseerde figuren, maar gewone mensen die zichtbaar ontroerd zijn door wat ze meemaken. Dat was nieuw voor de Florentijnen, die gewend waren aan de idealisering van personages naar het voorbeeld van Griekse en Romeinse kunst.
Een belangrijk onderdeel van de zeggingskracht van het werk is ook het contrast tussen de intense kleuren die typisch zijn voor de Vlaamse Primitieven, en de ingetogen, haast verdrietige sfeer die van het schilderij uitgaat. Alsof je ondanks de vrolijke gebeurtenis die een geboorte is, toch ook alvast voorvoelt wat er in de toekomst in het verschiet ligt. Vooral de blik van Maria speelt daarin een belangrijke rol. Dit contrast maakt het schilderij uniek en laat zien hoe groot het talent van Van der Goes was.

Oog voor detail
Daarnaast besteedde Van der Goes veel aandacht aan de stoffen, bloemen, voorwerpen en lichtinval. Op de voorgrond staan twee vazen met bloemen en een bundel korenaren. Deze vormen niet zomaar een decoratief stilleven. De bloemen verwijzen naar onder andere de zuiverheid van Maria, het toekomstige lijden van Christus en de Heilige Drie-eenheid. Zelfs de schijnbaar onbelangrijkste details dragen dus bij aan de betekenis van het schilderij.
Deze beheersing van details en ook die zoveel aandacht geven, komt vermoedelijk voort uit het feit dat de wortels van de Vlaamse Schilderkunst liggen in de miniatuurkunst. Deze vorm van kunst bestond uit het decoreren van manuscripten (boeken) met kleine schilderijtjes. Zo leerden de kunstenaars dat elk detail telde en als je het eenmaal heel klein beheerst, wordt een groot werk schilderen haast een fluitje van een cent!
De invloed op Domenico Ghirlandaio
De invloed van het Portinari-altaarstuk is bijzonder goed zichtbaar in een schilderij van Domenico Ghirlandaio. Slechts twee jaar na de aankomst van het Vlaamse meesterwerk schilderde Ghirlandaio zijn Aanbidding van de herders voor de Sassetti-kapel in de Florentijnse kerk Santa Trinita. Wanneer je beide schilderijen naast elkaar bekijkt, valt de overeenkomst onmiddellijk op.
Ook Ghirlandaio toont drie herders die zich naar het Christuskind wenden. Hun gezichten zijn individueel uitgewerkt en tonen dezelfde belangstelling voor de menselijke werkelijkheid. Toch blijft Ghirlandaio duidelijk een Florentijnse schilder. Hij plaatst de gebeurtenis in een zorgvuldig geconstrueerde ruimte met klassieke architecturale elementen, waaronder Romeinse zuilen en een antieke sarcofaag.

Het resultaat is een combinatie van twee artistieke tradities: het Vlaamse naturalisme en de Italiaanse belangstelling voor de klassieke oudheid. De overeenkomst is zo duidelijk dat het Portinari-altaarstuk algemeen wordt beschouwd als een belangrijke inspiratiebron voor Ghirlandaio’s schilderij.
Allebei de kunstwerken zijn vandaag de dag nog in Florence te bewonderen. Het Vlaamse origineel in het Uffizi en de Florentijnse interpretatie op de plek waarvoor deze werd geschilderd: de Sassetti-kapel in de Santa Trinita kerk.
Relatief onbekend
Hoewel liefhebbers en experts het Portinari-altaarstuk kennen en op waarde schatten, bleef het lange tijd relatief onbekend. In de Nederlanden, omdat het direct nadat het af was naar Florence werd verscheept. In de rest van de wereld, omdat men door de tijd heen vergat wie de grote kunstenaar was die er achter zat. Pas in de 19e eeuw werd het stuk definitief toegeschreven aan Hugo van der Goes. Dit gebeurde vaker en zeker niet alleen bij Van der Goes, omdat het voor Vlaamse schilders niet gebruikelijk was hun werk te signeren.
Rogier van der Weyden en de kracht van emotie
Niet alleen de verfijnde schildertechniek van Jan van Eyck en Hugo van der Goes maakten indruk op Italiaanse kunstenaars. Ook de emotionele zeggingskracht van Rogier van der Weyden speelde een belangrijke rol. Van der Weyden, afkomstig uit Doornik en werkzaam in Brussel, ontwikkelde een schilderstijl waarin de menselijke emotie centraal stond.
Zijn figuren tonen verdriet, ontroering, angst en medeleven. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in een van de weinige werken van Van der Weyden dat in Italië te vinden is: De Graflegging van Christus in de Galleria degli Uffizi. De emotie is duidelijk te zien op de gezichten van de figuren die Christus omringen. Het werk werd overigens mogelijk niet door Van der Weyden zelf afgemaakt. Kunstenaar en schrijver Giorgio Vasari schreef het afronden van het werk in de 16e eeuw toe aan tijdgenoot van Rogier van der Weyden, Hans Memling.

Hans Memling: een Vlaamse schilder voor Italiaanse opdrachtgevers
Memling werd geboren in het huidige Duitsland, maar vestigde zich in Brugge, waar hij een succesvolle schilderswerkplaats opbouwde. Zijn schilderijen waren erg geliefd bij rijke kooplieden en bankiers, onder wie opvallend veel Italianen. In tegenstelling tot de soms haast dramatische schilderijen van Rogier van der Weyden hebben Memling’s werken vaak een ingetogen, harmonieuze uitstraling. Zijn figuren zijn elegant, de kleuren helder en de landschappen zorgvuldig uitgewerkt.
Memling speelde bovendien een belangrijke rol in de ontwikkeling van het portret. In de Italiaanse portretkunst werden personen lange tijd vaak in profiel afgebeeld, geïnspireerd op Romeinse munten en medailles. In de Nederlanden ontwikkelde zich een andere traditie, waarbij de geportretteerde in driekwart aanzicht werd weergegeven. Daardoor ontstond meer ruimte voor gezichtsuitdrukking en psychologische diepgang. Memling plaatste zijn figuren bovendien regelmatig voor een landschap in plaats van tegen een neutrale achtergrond.
Niet alleen Vlaanderen beïnvloedde Italië: de invloed ging ook andersom
Tot nu toe hebben we vooral gekeken naar de manier waarop Vlaamse kunstenaars de Italiaanse schilderkunst vernieuwden. Maar vanaf het einde van de vijftiende eeuw en vooral gedurende de zestiende eeuw werd de invloed in omgekeerde richting steeds sterker.
Italiaanse kunstenaars hadden inmiddels grote vooruitgang geboekt op het gebied van perspectief, anatomie en compositie. De kunst van Leonardo, Rafaël en Michelangelo werd in heel Europa bewonderd.
Kunstenaars uit de Nederlanden begonnen steeds vaker naar Italië te reizen om de klassieke beeldhouwkunst en de Italiaanse meesters te bestuderen. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze ontwikkeling was Jan Gossaert, ook bekend als Mabuse. Hij reisde in 1508–1509 naar Rome, waar hij klassieke beelden en architectuur bestudeerde. Na zijn terugkeer verwerkte hij Italiaanse invloeden in zijn schilderijen, zonder de gedetailleerde schilderstijl van de Nederlanden volledig los te laten.
Ook kunstenaars als Maarten van Heemskerck en Frans Floris lieten zich later inspireren door de Italiaanse Renaissance. In de zestiende eeuw ontstond zo het zogenaamde Romanisme: een stroming binnen de Noord-Europese kunst waarin Italiaanse composities, klassieke motieven en geïdealiseerde menselijke figuren een belangrijke rol speelden.
De Renaissance was daarmee geen uitsluitend Italiaanse ontwikkeling die zich langzaam over Europa verspreidde. Het was een voortdurend proces van reizen, kijken, bestuderen, overnemen en opnieuw interpreteren.
De Vlaamse Primitieven in het Uffizi: een verrassend stukje Nederlanden in Florence
Wat veel bezoekers van Florence niet weten, is dat de Uffizi een bijzonder belangrijke verzameling Noord-Europese schilderkunst bezit. In 2024 werden drie museumzalen opnieuw ingericht om de relatie tussen de Italiaanse Renaissance en de kunst van de Nederlanden en Duitsland beter zichtbaar te maken. Er hangen onder andere werken van Rogier van der Weyden, Albrecht Dürer en Nicolas Froment.
Bewening van Christus – Rogier van der Weyden | Bron: Galleria degli Uffizi
Mijn lievelingswerk is een piepklein schilderij van Rogier van der Weyden: de Bewening van Christus. Het werk is nauw verbonden met de familie De’ Medici. In een inventaris van de bezittingen van de beroemde Lorenzo il Magnifico uit 1492 wordt een schilderij genoemd dat zich op het altaar van de Medici-villa in Careggi bevond en waarvan men denkt dat het dit werk was. Een uitstekend voorbeeld van hoezeer de Florentijnse elite de Vlaamse schilderkunst waardeerde.
Albrecht Dürer: de verbinding tussen Noord- en Zuid-Europa
Hoewel Albrecht Dürer geen kunstenaar uit de Nederlanden was, verdient hij in dit verhaal een plaats. De Duitse schilder en graficus reisde naar Italië en bestudeerde daar onder andere de werken van Mantegna, Bellini en Leonardo. In zijn Aanbidding der Wijzen uit 1504, eveneens te zien in het Uffizi, komen de twee tradities prachtig samen.

De figuren zijn stevig opgebouwd en geplaatst in een overtuigende architectonische ruimte, zoals we die uit de Italiaanse Renaissance kennen. Tegelijkertijd schilderde Dürer de kleding, sieraden, planten en andere details met een bijna Vlaamse precisie. Zijn schilderij laat daarmee ook zien dat de artistieke grenzen tussen Noord- en Zuid-Europa aan het begin van de zestiende eeuw steeds verder vervaagden.
Wat kun je vandaag in Florence van deze geschiedenis terugvinden?
Voor wie geïnteresseerd is in dit stukje kunstgeschiedenis, biedt Florence een prachtige gelegenheid om de relatie tussen de Nederlanden en Italië zelf te ontdekken. Je hoeft daarvoor niet alleen maar naar de beroemde werken van Botticelli, Leonardo en Michelangelo te kijken. Juist de minder bekende kunstwerken en de verbanden tussen verschillende kunstenaars vertellen vaak een verrassend verhaal.
De belangrijkste stop op je ontdekkingstocht is zonder twijfel het Uffizi. Hier kun je het Portinari-altaarstuk, de werken van Vlaamse meesters en schilderijen van hun Italiaanse tijdgenoten vergelijken. Vooral de verschillen in licht, materiaalweergave en compositie zijn interessant. Ik neem je graag mee voor een rondleiding!
Een ander plek die je echt niet mag missen is de Basilica di Santa Trinita, oftewel de Santa Trinita kerk. In de Sassetti-kapel zie je Ghirlandaio’s ‘Aanbidding van de herders’, waarin de invloed van Hugo van der Goes duidelijk herkenbaar is. Een bijzonder mooie plek om de Vlaamse en Florentijnse Renaissance met elkaar te verbinden.
In het Museo dell’Opera del Duomo kun je de profeten van Donatello bewonderen. Hun naturalisme en psychologische zeggingskracht bieden een interessante vergelijking met het werk van Claus Sluter.
Probeer tot slot ook even binnen te kijken bij het ospedale di Santa Maria Nuova. Hier stond het Portinari-altaarstuk oorspronkelijk in de kerk van Sant’Egidio. De geschiedenis van het ziekenhuis en de familie Portinari brengt de wereld van Florentijnse bankiers, internationale handel en kunst samen.
Florence met andere ogen bekijken
Iets wat mij altijd blijft boeien aan de kunstgeschiedenis van Florence, is dat achter de beroemde meesterwerken vaak veel grotere verhalen schuilgaan. We kennen Florence als de stad van de Medici, Michelangelo en de Renaissance. Maar het was tegelijkertijd een internationaal handelscentrum, waar kooplieden, bankiers en kunstenaars voortdurend in contact stonden met de rest van Europa.
De sterke relatie met de Nederlanden is daarvan een prachtig voorbeeld. Als Nederlandse die al jaren in Toscane woont en werkt, vind ik het bijzonder om te zien hoe nauw de geschiedenis van deze twee gebieden met elkaar verbonden is. De invloed van de Vlaamse Primitieven op de Florentijnse schilderkunst maakt duidelijk dat de Renaissance niet binnen de grenzen van één land ontstond en veel groter was dan alleen Florence of Italië.
Tijdens mijn rondleidingen in Florence probeer ik dan ook niet alleen te vertellen wie een kunstwerk heeft gemaakt of wanneer het is ontstaan. Juist de verhalen van de stad en achter de kunstwerken wil ik met je delen. Hierdoor komt alles tot leven en wordt het veel leuker om naar te kijken. Je hoeft geen úren door te brengen in een museum om een goed gevoel te krijgen bij wat er te zien is. Het belangrijkste is dat je naar buiten gaat met een verhaal en misschien zelfs wel met het gevoel dat je méér wilt ontdekken!
Wil jij Florence ook eens met andere ogen bekijken? Boek een tour met me door de stad of een van haar prachtige musea!
Lees- en luistertip: het boek De Bourgondiërs van Bart van Loo en de gelijknamige podcast vertellen je nog veel meer over deze bijzondere periode in de geschiedenis van de Nederlanden.





